Skip to content

Successie surfen

 
Gaten in ons voedselbos

In 2016 kregen wij groen licht voor een gemeenschappelijk voedselbos in onze wijk. We konden niet wachten om de eerste bomen te planten. Maar voordat het zover was moest er natuurlijk eerst onderzoek worden gedaan en een ontwerp worden gemaakt. Ook geen vervelende klus. Maar wel
spannend om meer dan honderd jaar vooruit te denken. En dan hopen dat al die bomen en struiken bij elkaar passen en goed gaan groeien…

Het moment was daar. De eerste kruiden en bodembedekkers werden gezaaid. De struiken, lage bomen, hoge bomen en klimmers werden geplant. Wat me toen opviel was de grote ‘lege’ ruimte tussen de aangeplante houtige soorten. Twee jaar later stonden de jonge fruit- en notenbomen nog steeds veelal open en bloot. Ze hadden zichtbaar moeite met de felle zon, droge periodes en harde wind. Ondanks de aangeplante windhagen.

Deze ‘gaten’ tussen de vruchtbomen en –struiken werden wel opgevuld door kruidachtige pioniers, zoals gras, brandnetels en distels. Maar voordat er houtige pioniers (zoals wilgen, essen, elzen) bovenuit groeien, ben je een tijd verder. Ik begon me af te vragen hoe we onze jonge en kwetsbare planten een betere jeugd konden bezorgen, en of we al die lege ruimte niet beter hadden kunnen benutten.

Kwakkelende planten bleken een goede motivatie om me verder te verdiepen in bosecologie. In dit onderzoek stuitte ik op Syntropic farming van de boer en onderzoeker Ernst Götsch. Dit gedachtegoed bevestigde wat ik in andere boeken over bosecosystemen terug las. Namelijk dat iedere plant een eigen rol en functie heeft ten behoeve van het hele systeem. En dat een plant pas ‘gelukkig’ is op haar specifieke plek of niche in een bepaalde plantengemeenschap.

Maar wat is eigenlijk de oorspronkelijke plek in het bos van onze gewassen? En wat kan ik doen om deze planten een goede jeugd te bezorgen? Ik moest naar Spanje. Daar werd een cursus Syntropic farming georganiseerd.

De appel is nog niet aan de beurt

Ernst Götsch, geïnspireerd door inheemse volkeren, beschouwd het bos als één levend wezen. Een complex macro-organisme waar wij onlosmakelijk mee verbonden zijn en dat een bepaalde interactie van ons verlangt. Bossen ondersteunen grote dieren, waaronder de mens. Hier vinden wij beschutting, materialen en ons voedsel; vruchten, bladeren, scheuten, knollen en andere dieren.

Een akker of grasland is natuurlijk verre van een bos. Als wij besluiten om hier een appelboom te planten, dan lopen we op de troepen vooruit. De appel verschijnt pas bij voldoende complexiteit aan levensvormen in én boven de bodem. Op deze plek is het eerst de beurt aan bijvoorbeeld distel, winterpostelein, wilgenroosje en later gewone berenklauw, sleedoorn en wilg. Zij breken de bodem open, trekken insecten aan, voeden het bodemleven, werpen schaduw, en (sommigen) houden grazers tegen. Allemaal pioniers die het leven van een appel mogelijk maken. De appel kan dan op haar beurt weer het leven van andere soorten mogelijk maken.

Zo kun je niet zomaar zeven lagen vegetatie ‘stapelen’ in een ontwerp. De duindoorn en knoptaxus vallen beiden onder de struiklaag, maar hebben een totaal andere rol en functie in een bossysteem. De duindoorn is een zonminnende, snelle en kortlevende pionier die met haar doorns grazers op afstand houdt. De knoptaxus is een langzame en langlevende plant die in de winter fotosynthese bedrijft en zomers in de schaduw van bomen groeit in een rijke bosbodem. De duindoorn is ongelukkig onder het bladerdak van een boom, en de knoptaxus kan weinig betekenen op een arme bodem in de zon.

De drijvende kracht van het bos

In een voedselbos is het dus de kunst om planten op hun natuurlijke plek in het bossysteem te zetten én met ze te interacteren (daar kom ik later op terug), zodat planten in gemeenschap gelukkig kunnen opgroeien. Dan ontstaat er een klik, hebben soorten baat bij elkaar en kan de motor van
natuurlijke successie optimaal gaan draaien. Natuurlijke successie is het proces waarbij verschillende plantengemeenschappen elkaar opvolgen in tijd én ruimte.

Bij iedere fase van het bos horen bepaalde planten die op dat moment een rol vervullen. Tijdens de pionierfase zijn het planten met een korte levenscyclus, die snel groeien en vele kleine lichte zaden produceren. Bij de climaxfase horen planten met een lange levenscyclus, die langzaam groeien en relatief weinig en grotere zaden produceren. Dan is er nog een fase tussen pionier en climax in, ook wel mid-successie genoemd. Zo is de sperzieboon een veredelde pionier, de abrikoos een soort uit mid-successie en de walnoot een climaxboom.

In iedere fase van het bos zie je bijbehorende planten samen in verschillende lagen groeien. Zo groeien de pioniers in gelaagdheid, terwijl de mid-successie soorten aan de grond ontkiemen, totdat de mid-successie soorten het stokje overnemen van de pioniers, en de climaxsoorten weer wortel kunnen schieten. De vegetatielaag van een plant wordt in syntropische landbouw aangeduid met strata. De strata van een plant wordt niet bepaald door de hoogte, maar door de hoeveelheid zonlicht waarbij de plant bij volwassenheid gedijt. De strata geeft ook de mate van bezetting van een plant in haar niche aan. Zo is de mais opkomend (emergent), de wilg hoog, de appelbes middel en de daslook laag.

Een gelukkige plantengemeenschap

Planten zijn gelukkig als ze in een gemeenschap van verschillende generaties samen kunnen opgroeien. Met syntropische landbouw worden planten met verschillende strata en verschillende levenscycli dicht bij elkaar geplant. Zo ontstaat er een diverse gemeenschap van planten die elkaar in
hoge dichtheid opvolgen in tijd en ruimte. Bijna al deze planten worden in één keer aangeplant. Bij voorkeur als zaden of stekken, anders als klein plantgoed. Dit betekent in de praktijk dat je op een paar vierkante meter bijvoorbeeld eerst radijs, aardappelen, bonen en mais oogst. Vervolgens rabarber, vlier en druiven. En later japanse gember, hazelnoten en tamme kastanjes. Verder groeien er soorten die bedoeld zijn voor het produceren van biomassa, bijvoorbeeld gras, populieren of fladderiepen.

Volgens Ernst Götsch ontstaat een bos bij gratie van ‘onvoorwaardelijke liefde’ en samenwerking. Iedere soort heeft een eigen niche in tijd en ruimte en interacteert met andere soorten in andere niches om meer leven te creëren. Als wij deze verschillende niches benutten, dan kunnen we samenwerking en symbiose faciliteren. Zo wijzen ‘onkruiden’ op gaten in tijd en ruimte die we hebben opengelaten en dragen bij aan natuurlijke successie. Plagen en ziektes beschouwd hij als ‘Agents of the Department of Optimization of Life Processes’. Ze verschijnen om onze fouten te corrigeren en het systeem in balans te brengen. Die is hij dankbaar, want daar kunnen we volgens hem veel van leren.

Verstoringen in het voedselbos

“In agriculture we are afraid to plant trees. And if we do plant trees, we are afraid to cut them.” – Namasté Messerschmidt

Naast al die dieren, insecten, schimmels en planten vervult ook de mens een belangrijke rol in dit ecosysteem. Ik geloof niet dat wij op aarde zijn om ‘de natuur met rust te laten’ of ‘de natuur haar gang te laten gaan’. Wij zijn natuur. Als wij onze rol in the web of life serieus nemen dan kan onze interactie leiden tot een ecosysteem met meer biodiversiteit, dynamiek en veerkracht. In onze natuurlijke habitat zijn wij, naast het verspreiden van zaden, vermeerderen van planten en uitademen van koolstofdioxide, ook in staat om verstoringen aan te brengen.

Verstoringen zijn het kloppende hart van het bos. Dankzij brand, storm, overstroming of dierlijke activiteiten ontstaan voortdurend openingen in het bos, waarna het systeem via natuurlijke successie weer kan regenereren. Zo kan het bos zich verjongen. Voortdurende snoei na regeneratie
zorgt iedere keer voor een groei impuls en gunstige condities voor biodiversiteit. Maar er zijn meer redenen om te snoeien; het levert vers organisch materiaal om bodemvruchtbaarheid op te bouwen, je creëert de gewenste lichtomstandigheden voor planten, en je synchroniseert het systeem om nieuwe soorten te introduceren.

Meer leven, oogst en werk

Na de cursus ben ik vol goede moed gaan experimenteren met syntropische landbouw in voedselbos Okkerheide. Ik ben begonnen met het ‘dichten’ van de grootste gaten in tijd en ruimte. Aan de zuidwest kant van de appels werden bijvoorbeeld wilgen en elzen geplant. Naast de jonge walnoten groeien nu populieren samen met abrikozen en frambozen. En de meeste bessen groeien inmiddels in de schaduw van pionierbomen met aan de voet gezaaide climaxbomen. Verder zijn er eilanden en rijen aangelegd waar veel soorten elkaar in hoge dichtheid kunnen opvolgen. Mais, aardappel, aardpeer, japanse gember, aalbes, pawpaw, hazelnoot, winterlinde en walnoot groeien hier samen op. De jonge climaxsoorten houden frisgroen blad en groeien hier sneller dan op de plekken waar ze meer alleen staan. Daarnaast zijn we het voedselbos anders en actiever gaan verzorgen. Grassen en kruidachtigen maaien we een paar keer per jaar voordat ze in zaad komen. Snelle bomen en struiken snoeien we ingrijpend rond de langste dag van het jaar. Dit leverde niet alleen veel organisch materiaal op voor de bodem, maar ook zichtbare groei van onze vruchtgewassen gelijktijdig met hergroei van de gesnoeide pioniers. En er ontstaat een opening om snelle groenten te zaaien. Kortom, meer groeikracht, meer soorten, meer oogst, maar ook meer werk. Plezierig werk als je het mij vraagt. Het is als leren surfen op de golven van successie.

Cursus syntropische landbouw

In november is er een mooie kans om meer te leren over syntropische landbouw. Dan komt Steven Werner, een leerling van Ernst Götsch, naar Nederland om een cursus te geven. Je leert een manier van denken, kijken en handelen om het voedselbos of een ander landschap productiever en levendiger te maken.

Wil je ook ontdekken wat jij voor het voedselbos kan betekenen?

Meld je aan voor mijn nieuwsbrief en ontvang gelijk deel 1 van mijn verslag van een cursus Syntropic Agroforestry.